Historie Steenwijkerwold

Sjef Damhuis

Marten Brandsma “De Tank”

Marten Brandsma “De tank” zat ondergedoken op Gelderingen.

Tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 waren er verschillende redenen waarom mensen ervoor kozen om onder te duiken. Joden probeerden te ontsnappen aan deportatie naar concentratiekampen. Daarnaast waren er veel jonge mannen die de Arbeitseinsatz (Dwangarbeid) wilden ontlopen, of die door de Duitsers werden gezocht vanwege verzetsdaden. Onderduikers werden vaak verstopt op zolders, in schuren, in geheime ruimtes of op afgelegen plaatsen. In Steenwijkerwold en omgeving zaten tientallen mensen voor korte of langere tijd ondergedoken. Op de Woldberg was zelfs een hol in de grond waar onderduikers zich in verborgen hielden voor de Duitsers. Op Gelderingen werden in augustus 1944 enkele dagen twee neergeschoten piloten, van de bij het kanaal neergestorte B-24 bommenwerper de “Rambling Wreck”, verborgen gehouden. Het gevaar van ontdekking lag altijd op de loer. Regelmatig hielden de Duitsers razzia’s om onderduikers te vinden. Het was natuurlijk ook altijd oppassen voor leden van de NSB die de Duitsers informatie konden geven over waar mensen waren ondergedoken. Na de oorlog zijn verschillende NSB’ers uit Steenwijkerwold hiervoor veroordeeld.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat op Gelderingen de latere voetballer Marten Brandsma van VV Heerenveen ondergedoken. Hij was door de Duitse bezetter in 1942 tewerkgesteld in een Duitse munitiefabriek en keerde na een verlof in 1943 niet terug. Hij dook onder bij zijn ouders in de Blesse. 

Na een tijdje waren de Duitsers hem op het spoor gekomen en wilden hem oppakken. Gelukkig kon hij via het weiland dat achter zijn huis lag aan zijn achtervolgers ontsnappen. Dit had natuurlijk wel tot consequentie dat Marten een nieuw onderduikadres moest zien te vinden. Hij vond onderdak bij de kappersfamilie Vonk op Gelderingen. Van Arnold Vonk leerde hij de basisbeginselen van het knippen.

Marten (links) met kapper Arnold Vonk

Marten was in zijn jeugd al een getalenteerd voetballer. Op 14-jarige leeftijd maakte hij in 1938 zijn opwachting in het eerste elftal van de Blesse. Helaas kwam door de oorlog zijn voetbalcarrière abrupt tot stilstand. Tijdens zijn verblijf in Steenwijkerwold voetbalde hij regelmatig met buurtkinderen op straat. Oud buurjongen Jan Struik (94) kan zich nog herinneren dat de jeugd vol bewondering naar Marten zat te kijken als hij zijn voetbalkunsten op straat demonstreerde. Angstige uren beleefde Marten toen de Duitsers een inval deden bij de buren. Hij heeft toen een tijdje in een aparte schuilplaats achter zijn slaapkamer gezeten. Tot de bevrijding van Steenwijkerwold op 13 april 1945 verbleef Marten bij de familie Vonk.

Kapsalon Vonk op Gelderingen in de jaren 20 (nu huisnummer 16)

Direct na de oorlog pakte Marten zijn voetbalcarrière weer op en ging voetballen bij VV Heerenveen. Hij had een neusje voor het maken van doelpunten. Door zijn manier van spelen kreeg hij de bijnaam “De Tank”.

In zijn beginperiode stond Marten in de schaduw van de grootmeester Abe Lenstra. In het seizoen 1949-1950 was hij Abe de baas en werd topscoorder met maar liefst 40 doelpunten. Op 7 mei 1950 schreef Marten geschiedenis door het winnende doelpunt te maken tijdens de historische wedstrijd tegen Ajax. Deze wedstrijd met 20.000 toeschouwers werd op spectaculaire wijze met 6-5 gewonnen door Heerenveen, na eerst met 1-5 te hebben achtergestaan. Abe Lenstra scoorde tijdens de wedstrijd twee doelpunten. Voor Ajax scoorde de latere coach van Ajax en bondscoach van het Nederlandse elftal Rinus Michels tweemaal. Tot 1956 voetbalde Marten in het eerste elftal van Heerenveen. Veel geld was er in de jaren 50 niet te verdienen met het voetbal. Het profvoetbal stond nog in zijn kinderschoenen. Marten bleef daarom het kappersvak dat hij van Arnold Vonk op Gelderingen had geleerd trouw. In 1952 maakte hij de overstap van kapper naar buschauffeur. In 1970 moest hij wegens hartklachten hiermee stoppen. Marten stierf in 1977 op 53-jarige leeftijd tijdens een partijtje zaalvoetbal.

Met dank aan Jan Stuik, Henk Vonk en (zoon) Karel Brandsma.